Overblijfselen Duitse vliegtuigputten

We werden hier rondgeleid door Walter Verstraeten, o.a. auteur van “Vleugels boven Klein-Brabant I/II.”
Hoewel het vliegveld Hingene geen al te grote rol speelde tijdens de Tweede Wereldoorlog, zijn er toch enkele interessante overblijfselen van de “vliegtuigputten” waar toendertijd grote Junkers Ju 52-transportvliegtuigen werden geborgen. Ten tijde van van het Belgisch Militair Vliegwezen droeg dit vliegveld het nummer 15. Nadien hoopte Duitsland Groot-Brittannië te veroveren, en in het kader van deze op handen zijnde operatie werd Hingene uitgerust als vliegveld voor het luchttransport van troepen, voorraden en munitie. Door de overwinning van de Britten in de luchtslag om Engeland kwam van deze plannen niets in huis. De overblijvende constructies op Hingene dateren uit de periode mei 1940 tot maart 1943, het ogenblik waarop de Luftwaffe het vliegveld verlaten heeft.

Op het Fliegerhorst “Käseglocke” te Hingene legde de bezetter na de overname op 20 mei 1940 een aantal vliegtuigparkeerplaatsen aan. In totaal waren er 46 dergelijke constructies, die vooral in de periode juni-augustus 1940 gebruikt werden voor de Ju 52s van het II./KGzbV 1.
De Junkers Ju 52 mat van vleugeltip tot vleugeltip haast 30 m en had een lengte van om en nabij de 19 m. De bovenste rand van het staartvlak bereikte een hoogte van ongeveer 4,5 m. Daarvoor een aangepaste schuilplaats bouwen in een vrijwel kale vlakte, vroeg om een omvangrijke constructie.
De omwalling was ongeveer 3 meter hoog. Vermits dit onvoldoende hoog was om het verticale gedeelte van het staartstuk volledig in onder te brengen, werd het grondvlak tussen de bermen naar achteren hellend aangelegd, waarbij het hoogteverschil over een lengte van 20 m één meter bedroeg. Dit betekende dat op drassige plaatsen afwateringen dienden voorzien in het diepst gelegen gedeelte van de put.
Het afloopsysteem zelf bestond uit rioolbuizen met een doormeter van 50 cm, die via een doordacht irrigatiesysteem naar bestaande grachten leidde. Nadat een vliegtuig geland was op één van de drie graspistes, reed het toestel over een geïmproviseerde taxibaan met een breedte van 12 m, waarvan de ondergrond verstevigd was met een laag asslakken van ongeveer een halve meter dikte, naar een lege vliegtuigput. Vóór de put gekomen draaide het toestel zich met de staart naar de opening van de put toe om dan achterwaarts binnengetrokken te worden. Achteraan in het smallere gedeelte van de vliegtuigput was een draailier aangebracht. Van hieruit vertrok een staalkabel die aan de achterzijde van het vliegtuig werd vastgemaakt om het dan achterwaarts in de put te “winchen”.
Sommige putten hadden een “tranchée” in één van de wallen. Deze doorgang moest aan het vliegend personeel en aan de grondbemanning toelaten in de vliegtuigput bij het vliegtuig te komen wanneer het volledig afgesloten was met camouflagenetten. Deze toegang liet toe ook bij nacht in de put met kunstlicht te werken, zonder dat dit van buitenaf zichtbaar was. De muren en bovenzijde van de doorgang waren afgezet met geweven matten en planken om het inkalven te beletten.
De doorgang zelf had een “knik” van 90°, zodat bij een bominslag naast de put, de granaatsplinters niet tot in de put zelf konden vliegen.
De putten werden gebouwd met de schop. Het zand nodig voor de omwalling werd werkelijk van schop tot schop verplaatst en was dus een product van pure handenarbeid. De bouw gebeurde onder toezicht van de Organisation Todt zelf.
De wallen, die bijna uitsluitend uit zavel bestonden, werden bovenaan en aan de buitenzijde eerst bedekt met een laag teelaarde, waarop dan uitgestoken graszoden werden aangebracht. Rondom en tegen de wallen aan werden coniferen geplaatst, waarvan een groot deel afkomstig was uit het park van het hertogelijk kasteel van Hingene. Ook werd heidekruid, brem en rododendronstruiken aangebracht, om het geheel een landschappelijk aspect te geven.

Rondom de vliegtuigput werden drie tot vier mitrailleursnesten aangelegd. Zij waren half ingegraven en afgezoomd met zandzakjes. Doorgaans waren ze uitgerust met twee tot drie mitrailleurs, die bij een luchtaanval de onmiddellijke omgeving van de vliegtuigput moesten verdedigen.
Vliegtuigput 14 vonden we achter het huisnummer 112 in de Koningin Astridlaan, zowat 80 meter van de weg. Enkel het deel waar de staart in paste is nog herkenbaar. Opgelet, dit is privédomein, best vraag je toelating aan huisnummer 112. Naast het huis ligt een klein stukje weiland, via een wegeltje bereik je dan de vliegtuigput. In het midden van de vliegtuigput staan canadabomen. De restanten van de put geven vandaag nog een goed beeld van de afmetingen die de oorspronkelijke put moet hebben gehad.

Deze vliegtuigput werd gefotografeerd aan de Moer. Dat is vermoedelijk ook de put waar deze Ju 52 werd gefotografeerd vanop een Flaktoren.

Vliegtuigput op Hingene-Wintam circa augustus 1940. De Ju 52 behoorde tot het II./KGzbV 1. Vroeger behoorde Wintam bij Hingene, nu is het een gehucht van Bornem.

Beelden: ©Paul Van Caesbroek, 09/05/2006 | ©Walter Verstraeten via R. Bongaerts
Datum registratie:
02/01/2006
Adres:
Moer, Loysbosdreef

Nog geen locatie toegevoegd

FEEDBACK

Share on facebook
Share on google
Share on twitter
Share on linkedin
Share on pinterest
Share on whatsapp
Share on email
Share on print

Deze website maakt gebruik van cookies om uw gebruikservaring te optimaliseren. Door verder te surfen, stemt u in met ons Privacy & Cookie beleid. Accepteren Lees meer