Valère Passelecq, geboren te Elsene op 22 maart 1919, overleden te Wolfenbüttel, Duitsland, op 7 juni 1944.
Valère Passelecq was nog rechtenstudent aan de ULB toen de oorlog uitbrak in 1939. Hij nam deel aan de Achtiendaagse Veldtocht en bereikte nadien Groot-Brittannië waar hij zich als vrijwilliger aanbood. Hij krijgt een opleiding om te opereren als SOE-agent in bezet gebied. In de nacht van 28 februari op 1 maart 1942 werdt hij geparachuteerd boven België, samen met zijn radio-operator René Copinne. Passelecq had zowel een sabotage- als een propaganda-opdracht. Op 27 april 1942 werd Gaston Aarens, een andere SOE-agent, gearresteerd door de Duitsers die ook beslag konden leggen op zijn radio en zo berichten vanuit Londen konden ontvangen. Zo kwamen ze aan het adres van de vader van Copinne, adres dat door Passelecq en Copinne als safe-house gebruikt werd. Op 9 juli 1942 werden ze gearresteerd.
Hij kwam aanvankelijk terecht in het kamp van Esterwegen. Daar slaagde hij erin om samen met twee anderen, Auguste Déan en Pierre Mevis, een kleine radio in elkaar te knutselen waarmee ze nieuwsberichten van de BBC konden volgen. Op basis van die radioberichten maakten ze ook een soort krantje op toiletpapier. Ze werden echter het slachtoffer van een verklikker en als de Duitsers de ‘krantjes’ ontdekken, worden de samenstellers ervan begin 1944 veroordeeld tot de doodstraf waarna ze werden overgeplaatst naar het kamp van Wolfenbüttel. Valère Passelecq werd daar op 7 juni 1944 onthoofd. Hij rust nog steeds op de begraafplaats van Elsene.





