**Brussel 16 oktober 2014, ter gelegenheid van de herdenkingen van de honderdste verjaardag van de Grote Oorlog, heeft de afdeling “Luchtvaart” van het Koninklijk Legermuseum haar gerestaureerde Aviation 14-18-ruimte ingehuldigd. Tijdens deze officiële opening op 16 oktober gaf Kolonel Vlieger (b.d.) Lionel Gabriël een instructieve lezing waarin hij de gasten herinnerde aan de geschiedenis van onze Belgische militaire luchtvaart. Deze gratis toegankelijke tentoonstelling vult nuttig de vele andere herdenkingsinitiatieven van het eeuwfeest van de Eerste Wereldoorlog aan en illustreert de snelle evolutie van de luchtvaart tijdens het conflict.**
![]() | Het enige authentieke overgebleven exemplaar van de Halberstadt C V, zoals het in juli 1965 tentoongesteld was, hangend aan het plafond van een van de zalen van het Koninklijk Legermuseum. |
Moeten we eraan herinneren dat het Brussels Air Museum een van de belangrijkste collecties vliegtuigen uit deze periode bezit? Ongeveer vijftien toestellen werden na het conflict bewaard en tentoongesteld in het Legermuseum. Ze hingen aan het plafond en pas vanaf 1970, met de oprichting van de AELR (de vrienden van het Lucht- en Ruimtevaartmuseum) door Kolonel Mike Terlinden en Adjudant Jean Booten, werden de vliegtuigen geleidelijk neergelaten en gerestaureerd om vervolgens te worden tentoongesteld in de galerij op de eerste verdieping. De galerij is opgefrist en tal van didactische panelen en illustraties, evenals materiaal uit die tijd (bewapening, vliegkleding, diverse uitrusting, foto’s) vullen de indrukwekkende collectie vliegtuigen uit deze periode nuttig aan.
Ontstaan van een Belgische militaire luchtvaart
De eerste initiatieven voor de oprichting van een Belgische militaire luchtvaart dateren van 1910: ridder Pierre de Caters (Belgisch vliegbrevet nr. 1) had de eerste vliegschool opgericht in Sint-Job in het Goor. Een replica van een van zijn vliegtuigen maakt deel uit van de tentoonstelling.
| | De prachtige replica van de De Caters biplane nr. IV illustreert de burgerinitiatieven om de eerste Belgische militaire piloten al in 1910 op te leiden. |
Een andere burger, ridder de Laminne, nodigde Generaal Hellebaut, Minister van Oorlog, uit voor een vlucht aan boord van zijn Farman HF.3. De twee pioniers boden aan om de eerste militaire piloten gratis op te leiden, maar dit aanbod werd geweigerd. Desondanks had de demonstratie van de Laminne de Minister sterk beïnvloed wat betreft de mogelijkheden van de luchtvaart, en, via de “Compagnie der Aerostiers” van de Genie, wordt de aankoop van een Farman HF.3 bestemd voor de opleiding van militaire piloten overwogen. De eerste militaire leerling-piloot was luitenant Georges Nélis. Al in 1911 begon een Militaire Luchtvaartschool in Brasschaat. De Farman biplanes waren de eerste toestellen die door het leger werden gebruikt, voornamelijk voor de opleiding van piloten, maar ook voor observatiemissies. Ze waren onbewapend, maar vanaf 1912, op initiatief van Georges Nélis, werd een Lewis machinegeweer getest op een Farman HF.16 met luitenant Stellingwerf als mitrailleur.
Op besluit van Koning Albert I werd de “Compagnie der Vliegers” opgericht, en werden vier operationele smaldelen voorzien, één per divisie van het landleger. Zomermanouvres werden georganiseerd in augustus 1913 met de deelname van de eerste twee smaldelen die met succes tal van verkenningsmissies uitvoerden, voornamelijk met Farman HF.20’s.
Toen Duitsland België aanviel op 4 augustus 1914, waren twee smaldelen operationeel en twee andere in opleiding. Ze beschikten over zevenendertig militaire piloten, drieëntwintig leerling-piloten en acht Farman biplanes. Acht burgerpiloten werden gemobiliseerd met hun vliegtuigen. Onder hen de toekomstige aas Jan Olieslagers.
De eerste missies waren voornamelijk verkenningsvluchten. Zeer snel werd, om verwarring tussen vriendelijke en vijandelijke vliegtuigen te voorkomen, de zwart-geel-rode kokarde aangenomen. Op 25 september 1914 viel de Belgische bemanning Petrowski en Benselin met een karabijn een Duitse Taube aan en dwong deze tot landen. Deze datum markeert “de facto” het begin van de Belgische jachtluchtvaart, hoewel deze pas officieel in 1916 erkend zou worden. Op 17 april 1915 was de eerste gehomologeerde Belgische overwinning het feit van Commandant Jacquet en zijn waarnemer Vindevoghel aan boord van een Farman HF.20 uitgerust met een Lewis machinegeweer. Hun slachtoffer was een Aviatik die boven Beerst werd neergeschoten.
Na de gevechten rond de vestingsteden Luik en Namen, het beleg van Antwerpen en de andere Duitse doorbraken, stabiliseerde het front zich aan de IJzer en begon de loopgravenoorlog in oktober 1914 en zou pas eindigen in september 1918. De Belgische operationele smaldelen vestigden zich in Koksijde en Houtham. De opleiding van piloten vond plaats in Etampes, Frankrijk, en een Vliegtuigreparatiewerkplaats werd opgericht nabij Calais onder leiding van Georges Nélis. De “Compagnie der Vliegers” werd in maart 1915 omgedoopt tot “Belgische Militaire Luchtvaart” onder bevel van Baron Cdt Théo Wahis.
Al snel zou de luchtvaart haar actieterrein uitbreiden. Naast observatiemissies en artillerievuurregeling, waarvoor de Farman MF.11’s van het 2e Smaldel waren uitgerust met radiotelegrafie, verhoogde de ontwikkeling van luchtfotografie door de Kapiteins Jaumotte en d’Henricourt de waarde van de inlichtingen aanzienlijk.
Frankrijk leverde ons nieuwe Farmans, evenals Voisin III’s, en daarna Nieuport 10’s. Op een van deze behaalde Jan Olieslager zijn eerste overwinning door een Aviatik neer te schieten op 12 september 1915. 1916 zag de oprichting van een zesde smaldel uitgerust met Britse BE 2C’s. Het 1e Smaldel, omgedoopt tot “jachtsmaldel”, verving zijn oude Farmans door “Bébé” Nieuport 11’s. En eveneens in 1916 nam onze Militaire Luchtvaart met succes deel aan de gevechten tegen de Duitsers in Afrika, met name de succesvolle aanval door vier van onze Short 827 watervliegtuigen die de “Graf von Götzen” neutraliseerden. Dichter bij België, in Calais, werden Scheck watervliegtuigen gebruikt, onder meer voor de jacht op Duitse onderzeeërs.
| Een van de zeldzame overgebleven Schreck watervliegtuigen, gebouwd door de Franco British Aviation Company, herinnert aan de anti-onderzeebootoperaties die onze piloten vanuit Calais uitvoerden. |
De eerste bombardementsmissies werden uitgevoerd, met name met projectielen ontworpen door de beeldhouwer en vliegtuigbouwer César Bataille. Hoewel de eerste luchtgevechten aanvankelijk met weinig effectieve pistolen en karabijnen werden gevoerd, werden al snel machinegeweren uitgeprobeerd en aangenomen. Eerst werden ze boven de bovenste vleugel geïnstalleerd om buiten de schroefbaan te kunnen vuren, later werden ze geleidelijk vervangen door mechanismen die gesynchroniseerd vuren door de schroef mogelijk maakten.
Vanaf 1917 werd onze Militaire Luchtvaart geleidelijk uitgerust met modernere vliegtuigen. Nieuport 23, Hanriot-Dupont HD-1, Spad, Sopwith 1 ½ Strutter, Sopwith Camel en RE 8 arriveerden bij de smaldelen. Het aantal beschikbare vliegtuigen steeg van ongeveer dertig in januari 1917 tot 120 aan de vooravond van het laatste offensief in september 1918.
Onze Azen
De jachtluchtvaart ontwikkelde zich en elke piloot die erin slaagde vijf overwinningen te laten homologeren, kreeg de felbegeerde titel van ‘Aas’ toegekend. In totaal kregen aan het einde van de vijandelijkheden vijf Belgische piloten deze prestigieuze titel.
Fernand Jacquet behaalde zijn eerste overwinning op 17 april 1915 en werd de eerste Belgische aas op 1 februari 1917. Hij beëindigde de oorlog met 7 overwinningen. Edmond Thieffry behaalde de eerste van zijn tien overwinningen op 15 maart 1917. Na de oorlog nam hij deel aan de ontwikkeling van de SNETA, de voorloper van Sabena. Hij realiseerde de eerste luchtverbinding België – Congo aan boord van de Handley-Page “Princesse Marie-Josée” in 1925. André De Meulemeester, bijgenaamd “Mystère” door de Fransen die moeite hadden met het uitspreken van zijn naam, verzamelde 11 bevestigde overwinningen tussen 30 april 1917 en 3 oktober 1918. Jan Olieslagers, motorcoureur en beroemd piloot voor de oorlog, voerde 567 oorlogsmissies uit en behaalde 6 overwinningen. Na de oorlog droeg hij bij aan de oprichting van de luchthaven van Deurne. Willy Coppens (verheven in de adelstand aan het einde van de oorlog als “de Houthulst”) arriveerde begin februari 1917 aan het front. Al snel specialiseerde hij zich in de jacht op “Drachen”, de Duitse observatieballonnen, waarvan hij er 36 neerhaalde op een totaal van 37 overwinningen. Deze ballonnen waren zwaar verdedigd, en op 14 oktober 1918 raakte hij ernstig gewond en verloor hij een been.
Toen Koning Albert in september 1918 het bevel overnam van de “Legergroep Vlaanderen”, die het Belgische leger, het 2e Britse leger, de 7e Franse legergroep en het 2e Franse cavaleriekorps omvatte, zorgden maar liefst 420 geallieerde vliegtuigen voor luchtsteun.
Tijdens het laatste offensief eind september 1918 telde de Belgische Militaire Luchtvaart 143 officieren, 1.080 onderofficieren en soldaten en beschikte ze over ongeveer 120 vliegtuigen. In vier jaar tijd was de militaire luchtvaart een onmisbaar militair element geworden. Er werden 24.245 oorlogsmissies uitgevoerd met een palmares van 111 bevestigde overwinningen.
Het “Brussels Air Museum”
Het luchtvaarthistorie van België is buitengewoon rijk. De sectie “Luchtvaart” van het Museum beschikt over een collectie van meer dan honderd tentoongestelde vliegtuigen, waaronder enkele unieke stukken uit de Eerste Wereldoorlog. Van de bijzonder rijke inventaris van vliegtuigen uit deze periode zijn verschillende stukken in restauratie. Het enige originele exemplaar ter wereld, de Aviatik C.1, wordt gerestaureerd bij Memorial Flight in Dugny (Le Bourget), de motor wordt opnieuw gemonteerd, de vleugels worden herbouwd (met name dankzij het talent van de ateliers Poncelet) en de romp zal binnenkort worden geassembleerd. De wielen, de magneto’s en diverse originele instrumenten zijn teruggevonden en zullen in de restauratie worden geïntegreerd. De Voisin III wordt geïnventariseerd en een nieuw gevormd team werkt aan het restauratiedossier en het voorstel van ingreep. De werkzaamheden aan de LVG C.VI concentreren zich momenteel op de vleugel en de cabane, de motor is volledig afgewerkt en uitgerust. De Halberstadt is een restauratieproject van het KML met de hulp van drie AELR-vrijwilligers. De restauratie is tijdelijk stopgezet, in afwachting van de renovatie van de ateliers van de grote hal en de verhuizing van de reserves van Vissenaken naar Landen (vanwege de ontdekking van asbest in de eerste opslagplaats). Het Museum hoopt dit project in de komende maanden te kunnen hervatten, maar het is in termen van restauratie zeer moeilijk om een datum te noemen. De tentoonstelling 1914-1918 duurt tot 2018, en we kunnen hopen dat sommige restauraties geleidelijk kunnen worden voltooid en het mogelijk maken om enkele van deze schatten tentoon te stellen.
De Air Section van het Museum beschikt ook over een bijna complete inventaris van de verschillende vliegtuigen die door de Belgische Luchtmacht in gebruik zijn genomen. En vele andere luchtvaartschatten. Het verrijken en bewaren van dit unieke werelderfgoed is een plicht en een engagement dat we moeten nakomen ten opzichte van toekomstige generaties. Het bestaan van een vrijwilligersvereniging, de AELR (les amis du Musée de l’Air et de l’Espace – vrienden van het Lucht- en Ruimtevaartmuseum), maakt het mogelijk de restauratiewerkzaamheden aan vliegtuigen te ondersteunen dankzij de deelname van tal van vrijwilligers, maar ook om gulle donateurs te zoeken en te vinden voor de financiering van bepaalde projecten. Gezien de budgettaire beperkingen van het Koninklijk Legermuseum, krijgt de samenwerking tussen deze instelling en deze vereniging des te meer betekenis.
De sectie “Luchtvaart” van het Koninklijk Legermuseum is geopend van dinsdag tot vrijdag van 09:00 tot 17:00 uur en in het weekend, op feestdagen en tijdens schoolvakanties van 10:00 tot 18:00 uur, en de toegang is gratis. Een gezellige cafetaria verwelkomt de bezoekers en het is mogelijk om lid te worden van de AELR (www.brusselsairmuseum.be) tegen betaling van een jaarlijkse bijdrage.
Tekst en foto’s: Guy Viselé


