-A A +A

Reddende engelen van PZG (deel II)

Werchter, 9 januari 2008. Na een eerste inleiding in de activiteiten van de NGO Piloten Zonder Grenzen, brengen we deze maand een vleugje couleur locale uit Afrika. Zowel in 2002 als in 2003 vervulde Lucas een missie in Mali, waar hij zijn belangrijkste, meest noemenswaardige belevenissen optekende in een dagboek, om eventueel later alles te bundelen en als boek uit te brengen. Hangar Flying had de mogelijkheid om een blik te werpen op dit document. Geniet, in afwachting van Lucas’ boek, alvast even mee…

Final approach voor een van de vele grasstrips in Afrika.

“Als lijnpiloot bij een Europese maatschappij stel ik jaarlijks mijn know-how en mijn vakantie vrijwillig ter beschikking van Piloten Zonder Grenzen, een organisatie die luchtverbindingen mogelijk maakt tussen moeilijk te bereiken gebieden in Mali en Kongo. We vervoeren er hoofdzakelijk artsen en medicijnen voor andere niet-gouvernementele organisaties. Acht jaar geleden kwam ik in contact met Piloten Zonder Grenzen; voor hen vliegen leek mij het summum als piloot. Ik zou mijn passie, vliegen, en mijn vakantie er kunnen combineren met ontwikkelingshulp.

9 februari 2003
Vier dagen geleden was ik teruggekeerd naar het Malinese Gao. Na de blije hereniging met het lokale team maakte ik gisteren een eerste checkride met de Cessna 207. Vandaag is het tijd voor de eerste echte vlucht van het jaar. Al vroeg word ik gewekt: “Loeka”, hoor ik zachtjes fluisteren, “il faut se lever”. Na een snel ontbijt rij ik, vermomd als Sabenapiloot, met Abdoulai naar het vliegveld. Abdoulai is onze radio-operator, tijdens de vluchten roepen we hem om het half uur op om onze coördinaten door te geven. Afgelopen jaar heb ik vaak aan hem en het team gedacht, vooral wanneer ik met mijn Boeing op Afrika vloog en Gao passeerde op weg naar Accra of Abidjan.

Lucas met veel belangstellenden bij Cessna 207 OO-ONG. Dit airframe werd in 1980 gebouwd en in 1999 ingeschreven bij Aviation Sans Frontières Belgique. Het onderhoud van deze toestellen gebeurt op het vliegveld van Grimbergen.

Onze vlucht van vandaag duurt ongeveer vier uur. Als we hierbij ook nog een uur reservetijd incalculeren, kom ik tot de conclusie dat we 250 liter brandstof nodig zullen hebben. Bij deze hoge temperaturen kan er dan nog 280 kilo aan lading meegenomen worden: artsen en medicijnen. Onderweg pillen we een vat avgaz van 200 liter op, en rijden we naar ons juweeltje, dat staat te blinken in het opkomende zonnetje. De wachter maakt de Cessna los van de blokken en Abdoulai zet de brandstofpomp in het vat. Ik kruip op de vleugel met een glazen bokaal om eerst de brandstof te bekijken. Door middel van een kleurentest kan ik nagaan of er geen water toegevoegd is. Op het eerste gezicht ziet alles er goed uit, dus tanken we. Indien het vat toch nog slechte brandstof zou bevatten, zal ik dat wel merken aan de motorinstrumenten vooraleer we de lucht ingaan. Het is ondertussen zeven uur en ik controleer alle systemen van het vliegtuig, terwijl ik zie dat mijn passagiers komen aangereden.

Onderweg naar de volgende bestemming. In principe is de Cessna 207 een achtzitter, maar in de praktijk worden er al snel enkele stoeltjes opgeofferd om wat meer pakjes te kunnen vervoeren.

De volgende stap in de voorbereiding van de vlucht is het doorgeven van het vluchtplan en het aantal passagiers aan de verkeerstoren. Je zou verwachten dat je van hieruit de vliegbewegingen goed zou kunnen observeren, maar niets is minder waar: de ramen zijn met krantenpapier behangen! Het kan hier zo warm worden door de zon… Als ik terugkeer naar het vliegtuig zit iedereen al aan boord – ze zijn gelukkig niet zonder mij vertrokken. Ik geef kort de veiligheidsvoorschriften en Abdoulai zou de werking van het zuurstofmasker wel willen demonstreren, maar dat hebben we niet in onze Cessna, omdat we niet hoog vliegen. Hij sluit de deur en ik taxi uit naar de baan, draai het vliegtuig in de wind en voer een motortest uit. Toch goede brandstof getankt!

In Afrika is het vliegtuig vaak de enige manier om een lading veilig naar een afgelegen gebied te brengen.

Iedereen zit comfortabel en ik geef de Cessna van katoen. Na het opstijgen vliegen we laag over de Niger tot boven het eerste dorpje. Ik geef een passagier een zakje met een vijftigtal ballonnen en pennen om uit te zaaien. Dat was natuurlijk niet mijn idee – op de BBC was er een documentaire over Dakotapiloten die tijdens de Berlijnse luchtbrug telkens wat snoepjes dropten. Of het een charmeoffensief was jegens de Duitse bevolking of een vermomde oefening in precisiebombardementen laat ik in het midden. In ieder geval geef ik liever mijn geschenkjes op deze manier aan de plaatselijke bevolking. Soms gooi ik ze onopgemerkt uit de auto; in geen geval wil ik eindeloos bedankt worden voor het geven van niemendalletjes. Ook wil ik voorkomen dat kinderen bij de blanken om cadeaus gaan bedelen. Ik hoop maar dat er geen ruzie komt in het dorp…

Een hartelijk onthaal…

We klimmen naar een hoogte van drieduizend meter waar de temperatuur draaglijker wordt. Ik zit enthousiast naar buiten te kijken en keer me om naar de passagiers om dat met hen te delen. Maar ze liggen, op één na, die een boekje leest, allemaal te slapen – moe van het harde werken. Regelmatig roep ik Abdoulai op, die mijn positie noteert. Na twee uur herkennen we het dorp Kidal in de zandvlakte. Ik krijg Action Contre la Faim over de radio te pakken en geef mijn verwachte aankomsttijd door. Twee maal vliegen we rakelings over de landingsbaan om de toestand te bekijken. Een mirakel: alles ziet er goed uit! Vorig jaar heb ik hier nog allerlei dingen moeten laten weghalen, zoals achtergelaten doelen van een voetbalmatch. Na een kisslanding komen we bij de pick-uptruck van ACF tot stilstand, midden in de woestijn. Ik ruil mijn passagiers om voor andere, en kan meteen vertrekken. Diegenen die ik achterlaat gaan ontdekken wat de westerse woorden eenzaamheid en soberheid betekenen. De vertrekkers zien er blij uit…”

Lucas Decleck