-A A +A

Een Canadese piloot in Grimbergen

Grimbergen, 20 december 2017. Na een vliegcarrière van 44 jaar verliet Jim Devlin (73) in 2011 zijn geboorteland Canada. Jim vloog er met Cessna’s, Norseman, Beaver, Otter en Twin Otter, uitgerust met ski’s of vlotters. Zijn favoriete vliegtuig was duidelijk de ijzersterke en betrouwbare Twin Otter. Hij volgde zijn Belgische echtgenote Monique Moyson en kwam in 2011 in Grimbergen wonen. De stap van Vancouver naar een dorp in Vlaams-Brabant is heel groot, maar toch voelt Jim zich hier thuis. Hangar Flying luisterde naar zijn verhaal en keek met veel interesse naar zijn fotocollectie.

Jim: “Als jongeman zat luchtvaart altijd in mijn achterhoofd. Niet dat ik direct voor piloot wou studeren. Ik wou vooral naar de hogeschool om een diploma te behalen in engineering. Maar ook op school merkte ik dat ik eigenlijk vooral aandacht had voor luchtvaart.”

Fairchild 71 FC-2 G-CARH, begin jaren dertig. De FC-2 versie van de Fairchild 71 was een model voor fotoverkenning, ontwikkeld voor de Royal Canadian Air Force. Merk de doeken op de motor om het bevriezen tegen te gaan en de kinderen tussen de Eskimo’s. De foto is genomen door prospector Gordon McLaren in de monding van de rivier Mackenzie, nabij de Noordelijke Ijszee.

“Het beeld van mijn vader die met de watervliegtuigen terugkwam van zijn missies voor Indian Affairs, met de Northern Flying Service van Maxwell ‘Max’ Ward, staat in mijn geheugen gegrift. Max had zijn opleiding gekregen in de Royal Canadian Air Force en was tijdens de Tweede Wereldoorlog instructeur in het kader van het British Commonwealth Air Training Plan dat militaire piloten moest opleiden voor het front. Na de oorlog ging hij vliegen vanuit Yellowknife, hoofdstad van de Canadese Northwest Territories. Yellowknife, waar ik enkele jaren woonde als kleine jongen, is een van de zeer geïsoleerde gebieden van Canada, temperaturen van -30°C zijn er niet uitzonderlijk. Eerst vloog Max daar met een de Havilland Fox Moth en later met een eigen de Havilland Canada DHC-3 Otter. Max heeft dan in 1953 zijn eigen maatschappij Wardair opgericht, die vlogen ondermeer met Boeing 747.”

Aankomst in Yellowknife van een Noorduyn Norseman van Canadian Pacific Airlines, vermoedelijk tussen 1945 en 1949. De Norseman werd door brand vernield tijdens refueling in Yellowknife op 28 november 1955.

Jim: “In 1962 behaalde ik mijn licentie van privaat piloot. Die kostte 400 C$. De Canadese regering betaalde mij daar 200 C$ van terug, een steunmaatregel die nog dateerde van tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1964 kocht ik een Taylorcraft en na het beëindigen van mijn high school had ik toch al 200 uren gevlogen. Ik had toen niet direct uitzicht op een goede baan en ben dan een opleiding als beroepspiloot gaan volgen. Mijn CPL behaalde ik in 1965 en een jaar later kon ik als commercieel piloot aan de slag, in de meest afgelegen gebieden van Canada. Een Cessna 180 kon ik kopen voor 18.000 C$, een Beaver kostte tussen de 25.000 en 50.000 C$.”

Taylorcraft CF-MNT op het vliegveld van Brampton, ten noordwesten van Toronto. De foto is genomen in 1964. Jim: “I could play with it in the weekends and after school.”

Jim: “In mijn jonge jaren was ik inderdaad een bush pilot in het onherbergzame noorden van Canada, meestal ten zuiden en ten westen van Hudson Bay. Mijn passagiers waren vooral werknemers uit de mijnbouw, zoals mannen die de eerste prospecties deden. Het ging hem vooral om goud, koper en nikkel. Maar tussen de passagiers zaten ook ambtenaren van Indian Affairs die de autochtone indiaanse bevolking steunden. De tochten van die ambtenaren noemden we de Treaty Trips. Ze brachten allerhande voedsel, bloem, bonen of suiker naar de afgelegen 'First Nations' (indiaanse) gemeenschappen. Vliegtuigen waren voor mijnarbeiders en indianen de enig mogelijke transportmiddelen in het ruwe gebied dat we het Canadees Schild noemen. Het strekt zich uit over Noordoost en Centraal Canada en is rijk aan mineralen. In dit onherbergzaam gebied heerst een polair klimaat; vliegen was er geen makkie.”

Nesting Lake. De manier waarop een Canadese kano wordt vervoerd, vastgebonden aan een vlotter van een C180, een standaard procedure.

Jim: “Ik ben ooit geland op ijs dat begon te kraken omdat alle mensen van het afgelegen dorp naar het vliegtuig kwamen gelopen. Het water begon gevaarlijk snel door het ijs te dringen, ik kon maar net op tijd vertrekken. Een lokaal weerstation dat ons de dikte van het ijs doorgaf was er nergens. You just knew that there was a lot of ice.

Cessna 180 CF-DMB, vooraan Jim Devlin, in Fort Hope, april 1970. “Dit toestel heb ik neergezet op ijs dat stevig aan het smelten was, gelukkig kon ik na de landing run de Cessna op de enig overblijvende vaste ijsplaat rijden,” aldus Jim.
Beaver CF-GOU van Severn Enterprises. Bij het lossen van brandstof moest altijd goed uitgekeken worden om de vlotters niet te beschadigen met de ijzeren vaten.

Jim: “Dikwijls vloog ik op de grens tussen leven en dood. Het was niet simpelweg een kwestie van koelbloedig blijven, maar gewoon dat tikkeltje extra geluk hebben. De risico’s van bush flying waren toen soms heel groot. Met de lading die je bij hebt kan je in noodgevallen niet overal landen. Het is ook niet mogelijk om te wachten tot het weer ideaal is, dan moet je dikwijls weken wachten en pakken andere firma’s simpelweg de job af. Soms kregen we inderdaad inspectie van Air Transport of Canada. Ik herinner mij bijvoorbeeld een vlucht met horizontale en verticale zichtbaarheid nul, enkel dankzij de GPS kende ik mijn positie. Ik kon de passagiers veilig afleveren. Na de landing was het voor hen business as usual. Eén passagier bleef zitten, hij bleek een inspecteur van Air Transport of Canada te zijn en hij vond dat ik de veiligheidslimieten had overschreven. Voor die trip moest ik mij zelfs verantwoorden voor de rechtbank. Het is gelukkig niet tot een veroordeling gekomen; het vliegen in het Hoge Noorden is zo specifiek dat strikte regels moeilijk op te leggen zijn.”

Achteraan de Cessna 180 waarmee Jim Devlin een lid van de Royal Canadian Mounted Police naar dit bevroren Big Trout Lake bracht voor de vaststelling van een vliegtuigongeval. Vooraan het verongelukte toestel van een piloot die Kerstmis wou vieren aan het meer. De staart van het toestel bleef op het bevroren meer liggen, de cockpit en de piloot rusten op de bodem van het meer.
Jim tankt zijn Noorduyn Norseman CF-BEM. Vaten met olie staan klaar voor transport.

“Het was tijd om met bush flying te stoppen en ik verliet Lac Du Bonnet en verhuisde naar de westkust van British Columbia, en werd kustpiloot in Vancouver. De laatste jaren vloog ik vooral tussen de havens van Victoria en Vancouver, een trip van zo’n 30 minuten vliegtijd en naar bestemmingen langs de kust van British Columbia, vooral voor West Coast Air. Er was al radarcontrole en Vancouver Terminal had ook een verkeerstoren.“

Jim vloog voor verschillende firma’s die ervaren piloten nodig hadden voor vliegtuigen uitgerust met ski’s of vlotters, piloten die wisten wat het betekende om doorgaans in onvoorspelbare meteorologische omstandigheden veilig passagiers en vracht aan land of op ijs te zetten.

Werken voor grote luchtvaartmaatschappijen is nooit zijn droom geweest. Jim wou altijd nauw betrokken zijn bij de operaties, voeling houden met zijn klanten en zelf aan de stuurknuppel zitten. De charterindustrie bood hem de gelegenheid om een grote verscheidenheid aan routes te vliegen. Jim startte zijn vliegcarrière bij Superior Airways in Port Arthur (Ontario.) Nadien werkte hij ondermeer voor Air Park (Manitoba) op routes in Ontario en het Noorden. Op Vancouver Island was hij Base Manager voor Island Air in Tahsis. Vanuit Vancouver en Victoria vloog hij voor Air West en diens opvolger Air B.C./West Coast Air (nu Harbour Air Seaplanes.)

1972. Red Sucker Lake, Manitoba. Op het ijs staan een Beech 18, een Norseman en een Cessna 180. De piloten komen aan met voorraden. Jim kwam van Lac du Bonnet, hij werkte er voor Air Park.
Bij Island Air (Tahsis, BC) was Jim Base Manager. Achteraan links ligt de Grumman G-73 Mallard van West Coast Air.

Jim: “Tussen mijn 17e en 67e jaar heb ik 42.000 uren gevlogen, zo’n 20.000 op Twin Otter. Wereldwijd ben ik de piloot met het meeste vlieguren op dit type. Ongevallen heb ik nooit gehad, wel engine failures, echt geen lachertje in het Hoge Noorden.”

Op 30 september 2010 ging Jim Devlin op pensioen. In de haven van Victoria kreeg hij een zeer verdiend watersaluut van een brandweerboot.

Jim op de dag van zijn pensionering bij een favoriete Twin Otter van West Coast Air in Vancouver www.harbourair.com).
In 2011 vertrokken Jim en zijn Belgische echtgenote van Vancouver naar Grimbergen. Jim voelt zich thuis in België maar spreekt nog geestdriftig over zijn luchtvaartcarrière in Canada.

Als ik hem in 2017 ontmoet in Grimbergen, lijkt het of hij net uit een Otter stapt. Zijn leren vliegvest zit hem nog als gegoten. Nog steeds straalt hij het vertrouwen uit van een uiterst ervaren en deskundig piloot, met een flegma dat sympathie opwekt.

Jim: “Ik denk niet dat ik hier nog weg wil uit Vlaanderen, ik hou van het leven hier. Het gaat er hier veel rustiger aan toe dan in de Verenigde Staten of Canada, veel minder stress. Mensen leggen hier ook andere accenten en nemen veel meer tijd voor hun familieleven.”

In zijn vrije uren vertoeft hij graag in de modelvliegclub The Moonrakers in Merchtem (https://sites.google.com/site/themoonrakersvzw/algemene-informatie) Jim: “Zo’n prima afgewerkt model in China aankopen is beslist goedkoper dan er zelf een maken, maar ik bouw ze toch liever zelf met mijn eigen handen.”

Een kort filmpje over de dag dat Jim met pensioen ging is te zien op https://youtu.be/VHobEfkXmcw

Frans Van Humbeek
Foto’s: archief Jim Devlin